Organisatieontwikkeling is in de praktijk een complexe opgave. Omdat heldere oorzaak-gevolg relaties bij veel organisatievraagstukken ontbreken, is nauwelijks aan te geven wat een ‘juiste’ interventie is in de specifieke situatie. Dat noopt tot bescheidenheid bij degenen die organisaties trachten te ontwikkelen, zoals organisatieadviseurs.
Niet-weten-wat-te-doen wordt in professionele begeleiding ook wel als een competentie gezien, en wel als negative capability. Deze term komt van de dichter Keats, en wordt omschreven als: het vermogen om onzekerheden, mysteries en twijfel te laten bestaan zonder ongeduldig te zoeken naar oplossingen en antwoorden. Ambivalentie of een zekere ambiguïteit kunnen verduren. Zelfs plezier beleven aan dat niet-weten. Het venijn zit vooral in het laatste stukje: zonder ongeduldig te zoeken naar oplossingen en antwoorden.
Wat een adviseur in zulke situaties wél kan doen is zorgvuldig afwegen wat in de concrete situatie de mogelijkheden zijn. Het onderscheiden van spanningsvelden met verschillende polen kan daarbij houvast bieden. Bij die polen zijn waarden in het geding die niet tot elkaar te herleiden zijn, maar wel met elkaar zijn verbonden. Zij verhelderen de handelingsruimte van een adviseur (waarbij ‘niets doen’ ook is op te vatten als een vorm van handelen). Spanningsvelden zoals tussen theorie (hoe het moet) en praktijk (hoe het gaat), tussen commerciële belangen en professionele eisen, tussen aandacht voor het individu en aandacht voor de organisatie, tussen problemen voor de klant oplossen en het stimuleren van leren, en tussen van buitenaf leiden op wat de adviseur denkt dat nodig is en begeleiden van wat van binnenuit wil ontstaan.
Op een creatieve wijze hanteren van dit soort spanningsvelden helpt om als professionele begeleider niet vast te komen zitten, maar juist heel beweeglijk te blijven. Daardoor is het namelijk mogelijk om steeds opnieuw met de klant uit te zoeken hoe je samen verder kunt gaan, bijvoorbeeld door ‘consistent inconsistent’ op te treden, zoals Martijn Vroemen in de vorige blog van de Ambachtsschool propageert. Maar ook door polariteiten expliciet te maken die op een bepaald moment spelen. Of door een omgeving te creëren waarin de betrokkenen binnen het (klant)systeem zelf leren om dit soort polariteiten op een productieve manier te hanteren.
Het verhelderen van polariteiten is zeker ook van belang bij maatschappelijke problemen, waarvoor meestal geen eenduidige of blijvende oplossing mogelijk is: als die er was, was het vraagstuk immers allang opgelost. Betrokkenen zullen zich er eerder toe moeten leren verhouden. Professionele begeleiders kunnen de betrokkenen leren omgaan met spanningsvelden, zodat zij zelf leren om ambiguïteit te hanteren. Want ook al zijn voorlopig bepaalde spanning opgelost, veelal zijn ze niet blijvend opgelost. Dat vraagt wel om het oprekken van de gebruikelijke systeemgrenzen en de wijdere context binnenlaten: je niet alleen op specifieke organisaties richten, maar op het begeleiden van leren tússen verschillende partijen.
Maar dat is jammer genoeg niet genoeg voor hét maatschappelijke probleem van de huidige tijd: de ecologische crisis. De verandering van tijdperk waar we als mensheid op dit moment inzitten wordt wel gezien als een radicale overgang van het domineren door de mens van de natuur (Antropoceen) naar het op een of andere manier leren samenwerken mét de natuur (Symbioceen). Als je als adviseur wilt bijdragen aan deze ecologische transitie vraagt dat om ook zelf anders te leren kijken en daarmee ook anders te leren handelen. Want in de verschillende vormen van professionele begeleiding is de aandacht vooral gericht op het voor de mensen beter maken. Dan ligt het niet erg voor de hand om je als professional te engageren door bijvoorbeeld zomaar de stem van de natuur aan tafel uit te nodigen. Als dat niet het vraagstuk van de klant is kan dat zelfs klanten kosten. Maar door alleen bij te dragen aan het gedoe van mensen met zichzelf en met elkaar, lopen adviseurs het risico dat zij onbedoeld bijdragen aan de verdere uitbuiting van de natuur. Voor het stimuleren van de ecologische transitie is dat een ongewenst effect.
Zelf weet ik nog niet zo goed hoe de spanning tussen bescheidenheid (niet-weten-wat-te-doen) en engagement (opkomen voor de natuur als waarde in zichzelf) als professional te hanteren. Maar het lijkt me een belangwekkende kwestie om dat binnen de professionele gemeenschap verder uit te zoeken. En daar zit wat mij betreft ook de nodige urgentie op. Want als we zo doorgaan hebben we straks geen leefbare planeet meer over.



Comment