Een binnenperspectief op organisatiecoaching

De uitgever belt: ‘Er komt een nieuwe druk van het boek Organisatiecoaching in de praktijk‘. ‘Maar’, vraagt uitgever Eric Vullers: ‘is het misschien al tijd voor een vervolg op dat boek?’ Dat vind ik eigenlijk van wel. En gelukkig reageren de overige auteurs van dat boek ook enthousiast.

In Organisatieocaching in de praktijk laten we zien hoe we als professionele begeleiders een variëteit aan methoden en technieken inzetten om organisatieleren te stimuleren. In dat boek blijven we, ondanks dat we ook hier en daar wel iets weergaven van onze eigen professionele twijfel, toch wat aan de buitenkant van het prachtige, maar ook behoorlijk complexe werk dat we doen. Want iedereen die wel eens geprobeerd heeft om duurzame verandering te realiseren, weet dat een goed gevulde gereedschapskist geen garantie is voor succes. Op een of andere manier vraagt het werk dat we onszelf steeds weer opnieuw op het spel zetten, waarbij we zelf het gevoel hebben dat we flink onderuit kunnen gaan -en dat soms ook daadwerkelijk doen.

Vaak wordt dan gezegd: de persoon van de begeleider vorm zelf zijn belangrijkste instrument. Met de auteurs zijn  we er snel uit: het nieuwe boek zal nu eens dit persoonlijke perspectief als uitgangspunt nemen. We richten ons daarmee expliciet op wat dat betekent: jezelf als instrument zien. We verschuiven daarmee de aandacht van ‘de buitenkant’ van het begeleiden naar ‘de binnenkant’ ervan. Van ‘hoe het -volgens de boekjes- hoort’ , naar ‘hoe het -in het echie- gaat’ . Van ‘het nette verhaal’ (dat we tegen anderen vertellen) naar onze eigen ‘innerlijke ervaring’ (dat we onszelf vertellen). Vragen komen aan bod als:

  • Wat nemen we zoal waar van wat zich in het werk aandient, en hoe doen we dat (met ons hoofd, of ook met ons lijf  -‘op ons water’, omdat ‘het riekt naar…’, je ‘jeuk krijgt van’, etc.?)
  • Hoe geven we wat we waarnemen betekenis (beredeneren we dat, of gaat dat toch gewoon vooral op basis van ’tacit knowledge’ -en wat valt daar dan nog meer over te zeggen dan dat zich dat impliciet afspeelt)?
  • Wat doen we daar concreet mee (kunnen en durven we ook aan te gaan wat we vermoeden dat nodig is – ‘op goed geluk’, ‘met het zweet in onze bilnaad’, of ‘met de moed der wanhoop’, etc.)?

In de meeste vakliteratuur blijft het innerlijke werk van een begeleider onzichtbaar. Het nieuwe boek vormt daarop een welkome uitzondering: het laat zien wat voor inspanningen een begeleider zich zoal getroost, om naar buiten toe -enigszins, en hopelijk steeds meer- professioneel op te treden. Zodat de lezer zich opgelucht realiseert: zie je wel, anderen hebben dit ook. Maar ook kan verzuchten: er is werk voor mij aan de winkel…

Ook voor ons is er werk aan de winkel: want schrijf het eigen ‘professionele gemodder’ maar eens een beetje helder op. Gelukkig hebben de meesten van ons ‘dankzij’ de corona-crisis nu toevallig wat meer tijd om te schrijven. Dus dat boek gaat er zeker komen. Wel even zorgen dat we allemaal gezond blijven van lijf en leden.

 

Bronnen

Boomen, F. van den, & Jaarsveld, J. van (red.) (2011). Organisatiecoaching in de praktijk. Leren verlangen naar de zee. Neer: Kloosterhof.

Ooijen, M. van, (et. al.) (2017). Imperfecte adviseur. Persoonlijke verhalen over het werk. Utrecht: Kessels & Smit.

Polanyi, M. (1966). The tacit dimension. New York: Doubleday & Co.

Shotter, J. (2006). Understanding processes from within: an argument for ‘withness’-thinking. Organization Studies, 27(4), 585-604.

Swieringa, J. (2010). Bekentenissen van een organisatieadviseur. Amsterdam: Mediawerf.

Comment

There is no comment on this post. Be the first one.

Leave a comment